Ik geef het op
Ik geef het op
"Ik geef het op … Het heeft toch geen zin."
'Het is wel handig als je antwoord geeft. Je moet het zelf ook wel willen.'
De behandelaar zucht gefrustreerd. Schuift zijn laptop wat opzij, zodat hij Liam aan kan kijken.
Ik zie hem schrikken. Zijn schouders verkrampen.
Liam kruipt verder weg in het hoekje van de bank. Zijn hoofd zakt nog verder naar beneden. Zijn handen kriebelen, bijna onbewust, zijn hond achter de oren. Het ritmische gestreel moet rust geven, aan de hond, aan hemzelf. Het werkt niet.
'Ik dacht al dat het niet zou werken,' had hij in de auto nog gezegd, ', maar dan krijg ik toch weer een beetje hoop. Dan denk ik: misschien hier dan.'
En nu zit hij hier. Weer. Met de rest van het hoopvolle kooltje dat hij had meegenomen.
Het is nodig dat je zelf gemotiveerd bent. Dat je het wil. Dat je je hulpvraag kan uitspreken.
Dat hoor je vaker. Van behandelaren, van instanties, soms zelfs van mensen om je heen die het goed bedoelen.
Motivatie. Willen. Het klinkt zo logisch.
Maar als je voor de zoveelste keer voelt dat je wordt afgewezen. Dat je 'te complex' bent. Wat is er dan nog van je zelfvertrouwen over?
Hoe kun je dan nog 'willen'? Nog 'gemotiveerd' zijn?
Zelfvertrouwen. Het zit al in het woord: vertrouwen in jezelf. En dat ben je onderweg kwijtgeraakt. Afwijzing, na afwijzing.
Wat doet dat met een kind, een jongere, een volwassene?
Je brein maakt geen onderscheid tussen sociale pijn en fysieke pijn. Afwijzing activeert dezelfde pijnreceptoren als een wond. En dat raakt recht je zelfvertrouwen: onzekerheid, zelftwijfel, de angst om nooit goed genoeg te zijn.
Je gaat piekeren. Je denkt al snel dat het aan jou ligt. Je koppelt de afwijzing los van de situatie en plakt hem op jezelf, op wie je bent.
En dan, langzaam: je durft minder snel iets nieuws te proberen. Je past je aan, extremer, om de volgende afwijzing voor te zijn. Je wordt banger. Overgevoeliger voor wat komen gaat.
Dus ga je jezelf behoeden. Want als je het niet probeert, kun je ook niet afgewezen worden.
Wat doen we ons kind aan door hem elke keer weer mee te nemen naar deze gesprekken?
Vragen we ons af, na afloop, in de auto, in stilte.
Hij moet mee, hij is boven de 18. Maar het is genoeg. We hebben besloten: we doen het niet meer zo. Een volgende keer gaan we eerst alleen. Eerst horen of ze iets kunnen bieden, voordat we hem deze pijn nog een keer aandoen.
Dan zullen ze zeggen dat we te beschermend zijn. Dat we niet los kunnen laten. Overbezorgd.
Alle meningen, alle oordelen, die hebben we als ouders ook wel gehad.
Maar hoe laat je los, hoe bescherm je niet, als anderen kwetsen? Hoe houd je niet vast?
Al ruim drie jaar wordt hij, samen met ons, doorgeschoven als een hete aardappel. Iedereen bang zich te branden. Maar dat hij ondertussen opgebrand is geraakt, zijn vuurtje uitgedoofd, dat wordt hem aangerekend. Je moet het wel willen proberen, anders gaat het ook niet werken.
Dan wordt er een emmer ijswater over ons uitgegooid. Zodat er zelfs geen gloeiend kooltje meer over is.
Motivatie is geen startpunt. Het is wat overblijft ná vertrouwen. En vertrouwen bouw je niet op met nog een gesprek waarin iemand moet bewijzen dat hij het waard is om geholpen te worden.
Dinsdag, schrijfdag. Onzichtbare parels is mijn verhaal. Maar misschien ook een stukje van het jouwe?

Wil je ook mijn inspiratiemails ontvangen?
Schrijf je je dan hier in
๐











